Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 april 2017

Onder 5.22 Parket bij de Hoge Raad 11 april 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:352.

Deze bepaling aanvaardt gevaar voor strafrechtelijke veroordeling voor zichzelf of voor de genoemde andere personen ter zake van een misdrijf als verschoningsgrond in het civiele recht, zoals deze eerder o.a. in het strafrecht — art. 219 Sv — is aanvaard. De in lid 3 voorziene mogelijkheid zich te verschonen, komt ook aan de partijgetuige toe (zie art. 164, aant. 4). Een beroep op dit verschoningsrecht komt slechts toe aan de verschenen getuige nadat hem een bepaalde vraag is gesteld en dan nog slechts met betrekking tot die specifieke vraag (HR 11 februari 1994, NJ 1994/336 ( Kers )). De bepaling is van overeenkomstige toepassing op getuigenverhoren ingevolge art. 66 Fw. Zulks is in overeenstemming met het in art. 6 EVRM besloten liggende beginsel dat niemand verplicht is tot medewerking aan het leveren van bewijs dat kan bijdragen tot zijn strafrechtelijke veroordeling (HR 11 februari 1994, NJ 1994/336 ( Kers ), verwijzend naar EHRM 25 februari 1993, NJ 1993/485 ( Funke )).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b141973cea9a96f9bb930d2d6d8b1cc5d9624cf912f740de8946d542fd65abf0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b141973cea9a96f9bb930d2d6d8b1cc5d9624cf912f740de8946d542fd65abf0, en de alinea staat in dat document op bytes 128439 tot 129545.