Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2017

Alinea 155 Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:375.

31. De eerste klacht houdt in dat het hof in het verkort arrest voor het bewijs redengevend heeft geacht een brief d.d. 10 juni 2009 van de deken van de Orde van Advocaten aan de verdachte, inhoudende dat [betrokkene 1] niet is veroordeeld ter zake van kunstsmokkel, zulks terwijl (de inhoud van) deze brief niet in de bewijsmiddelen is vermeld en het hof heeft nagelaten met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging aan te geven aan welk wettig bewijsmiddel het die gegevens heeft ontleend. Volgens de tweede klacht zou het hof in strijd met het bepaalde in art. 301 Sv op deze voor het bewijs redengevende brief acht hebben geslagen, zonder dat uit de processen-verbaal in eerste aanleg en in hoger beroep volgt dat deze brief ter terechtzitting is voorgelezen of de korte inhoud ervan is meegedeeld. De derde klacht luidt dat het bestreden oordeel van het hof ook niet begrijpelijk is, nu het hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte de brief van de deken heeft ontvangen en gelezen. Deze drie klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5fd7dc41875810ffdc9ed5fb60ae0c45bcf42e3c382f1c28c1e535455967a9d1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5fd7dc41875810ffdc9ed5fb60ae0c45bcf42e3c382f1c28c1e535455967a9d1, en de alinea staat in dat document op bytes 59881 tot 60956.