Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2017

Alinea 163 Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:375.

33. De brief van de deken bevindt zich onder de op voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Maar inderdaad maakt deze geen deel uit van de bewijsmiddelen. Dat brengt mij tot de volgende opmerkingen. Indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus — al dan niet in reactie op een bewijsverweer — beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging die feiten of omstandigheden aan te duiden en het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Ingeval het feiten of omstandigheden betreft die zijn vervat in processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere schriftelijke bescheiden, dienen die stukken ter terechtzitting te zijn voorgelezen of moet daarvan aldaar de korte inhoud zijn medegedeeld. In de hierboven onder 32 weergegeven overweging heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte bekend was met de onjuistheid van zijn uitlating dat [betrokkene 1] veroordeeld was ter zake van kunstsmokkel. Met de verwijzing daarbij naar de brief van de deken, waarvan de inhoud specifiek op dit onderwerp betrekking heeft, heeft het hof naar mijn inzicht met voldoende mate van nauwkeurigheid aangeduid aan welk wettig bewijsmiddel de bedoelde redengevende omstandigheid is ontleend en daarmee voldaan aan de voorwaarde van controleerbaarheid van de uitspraak. Ik wijs er voorts op dat uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van de rechtbank van 23 juni 2011 blijkt dat de voorzitter mondeling de korte inhoud van de stukken van het voorbereidend onderzoek heeft meegedeeld, in het bijzonder van al die stukken waarvan in het vonnis melding is gemaakt. Ingevolge art. 417, eerste lid, Sv mogen stukken die in eerste aanleg zijn voorgelezen ook voor de behandeling in hoger beroep als voorgelezen worden aangemerkt. Dat een en ander brengt mee dat aan het voorschrift van art. 301, vierde lid, Sv is voldaan. Uit de omstandigheid dat de brief van de deken is verzonden, heeft het hof, nu op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep contra-indicaties gesteld noch gebleken zijn, mogen afleiden dat de verdachte deze brief heeft ontvangen en van de inhoud ervan kennis heeft kunnen nemen. Daarbij zij nogmaals gezegd dat de brief op de terechtzitting in eerste aanleg is voorgehouden en, blijkens de opgemaakte zittingsverbalen, de verdachte toen geen enkele keer heeft tegengeworpen dat hij de brief nimmer ontvangen en gelezen heeft. Voor zover het middel klaagt over de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel, miskent het voorts dat een onderzoek hiernaar een waardering van feitelijke aard vergt waarvoor in cassatie geen ruimte is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5fd7dc41875810ffdc9ed5fb60ae0c45bcf42e3c382f1c28c1e535455967a9d1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5fd7dc41875810ffdc9ed5fb60ae0c45bcf42e3c382f1c28c1e535455967a9d1, en de alinea staat in dat document op bytes 62343 tot 65376.