Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2017

Alinea 171 Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:375.

De onder IV, VII en IX weergegeven passages zijn in telkens verschillende brieven verzonden aan verschillende personen en een instantie, te weten respectievelijk aan [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en de Stichting Persvrijheidsfonds. Het hof is van oordeel dat indien men een brief stuurt aan de bovengenoemde personen, gelet op de aard van hun respectieve functies, dan wel aan de bovengenoemde stichting, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verwacht kan worden dat ook anderen dan de geadresseerden kennis zullen nemen van de inhoud van die brieven. Naar het oordeel van het hof kan derhalve worden vastgesteld dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op verspreiding van de inhoud van de door hem aan de bovengenoemde personen en instantie verzonden brieven.”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5fd7dc41875810ffdc9ed5fb60ae0c45bcf42e3c382f1c28c1e535455967a9d1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5fd7dc41875810ffdc9ed5fb60ae0c45bcf42e3c382f1c28c1e535455967a9d1, en de alinea staat in dat document op bytes 66991 tot 67802.