Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2017

Onder 10.7. Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:393.

De op het eerste gezicht onlogisch aandoende redenering van het hof leidt er toe eens nauwkeuriger te bezien wat het hof nu op het punt van de bushokje-getuigen wilde aantonen. Het hof overweegt dat (onder meer op grond van het gebrek aan herinnering) “niet met zekerheid [kan] worden vastgesteld dat zij [ [getuige 2] en [getuige 1] ] in de nacht van 3 op 4 juli 1993 in het bushokje verbleven”. Het is naar ik meen zeer de vraag of het hof hiermee wel een juist uitgangspunt hanteert. Mocht het hof inderdaad menen dat voor de beoordeling van het verweer van de verdediging nog een nadere zekerheid, in de vorm van een directe en concrete herinnering van de getuigen vereist is, dan lijkt me dat een misvatting. Naar mijn mening moest ter beoordeling van het hof staan de vraag of aannemelijk is dat de getuigen, zoals zij destijds verklaard hebben, daar inderdaad op de toen genoemde tijdstippen aanwezig waren. Dat zulks door een geconstateerd gebrek aan latere herinneringen niet kan worden vastgesteld brengt de beantwoording van de eigenlijke vraag geen stap dichterbij – maar ook niet verderaf.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5bcfb8e2fb9b51fbb5709214c977c3f0b82827325c1f6b364a19d8464ae2bce6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5bcfb8e2fb9b51fbb5709214c977c3f0b82827325c1f6b364a19d8464ae2bce6, en de alinea staat in dat document op bytes 91684 tot 92818.