Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2017

Onder 16.13. Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:393.

Het aantreffen van haren, bloed, een vingerafdruk, speeksel of ander biologisch materiaal van een verdachte op de plaats delict dan wel op (de kleding van) het daar aangetroffen slachtoffer, is een gegeven dat onderscheidend vermogen heeft in het geval de verdachte ontkent op de plaats delict te zijn geweest. Het is een (steun) bewijsmiddel met een - in potentie - grote bewijswaarde waaruit kan blijken dat de verdachte op de bewezenverklaarde plaats was, dat hem aanwijst als mogelijke dader en dat daarom van belastende betekenis kan zijn. Het gebrek aan forensisch-technisch sporen van de verdachte op de plaats delict dan wel (de kleding van) het slachtoffer kan in dat zelfde licht zeker van ontlastende betekenis zijn. Uitgaande van een ‘schuldig scenario’ zoals tenlastegelegd, waarin de verdachten de daders zijn, kan het niet aantreffen van hun biologische sporen nietszeggend zijn. Uitgaande van een ‘onschuldig scenario’ daarentegen, is het veelzeggend.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5bcfb8e2fb9b51fbb5709214c977c3f0b82827325c1f6b364a19d8464ae2bce6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5bcfb8e2fb9b51fbb5709214c977c3f0b82827325c1f6b364a19d8464ae2bce6, en de alinea staat in dat document op bytes 286572 tot 287625.