Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2017

Onder 10.6. Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:404.

Het middel stelt naar mijn mening terecht dat deze overweging van het hof, voor zover een beroep wordt gedaan op het feit dat blijkens latere verhoren [getuige 2] noch zijn vader [betrokkene 5] ‘een directe en concrete’ herinnering heeft aan de exacte datum en het exacte tijdstip waarop [getuige 2] en [getuige 1] in het bushokje hebben gezeten niet redengevend kan zijn voor de vaststelling dat zij daar niet hebben gezeten. Het (latere) gebrek aan enige vorm van herinnering bij de genoemde getuigen - direct of indirect, concreet of niet-concreet - kan immers zonder meer verklaard worden door het tijdsverloop tussen de gebeurtenissen waar het om gaat in juli 1993 en de latere verhoren; wat de CEAS-verhoren betreft een tijdsverloop van ruim 17 jaar en wat de raadsheer-commissaris verhoren bij het hof betreft bijna 22 jaar. Terugwerkende kracht kan aan het gebrek aan herinnering niet worden verleend.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ead4a6dfee5640790330dcf8b39a755381935090e1e991658784141d31d4f7a4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ead4a6dfee5640790330dcf8b39a755381935090e1e991658784141d31d4f7a4, en de alinea staat in dat document op bytes 90174 tot 91113.