Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2017

Onder 11.11. Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:404.

Het hof heeft niet aannemelijk geacht dat de vrouwen een bekentenis hebben afgelegd als gevolg van het over en weer voorhouden van verklaringen van medeverdachten, noch dat de wijze van verhoren voor het overige een zodanig ongeoorloofde druk op de vrouwelijke verdachten heeft gelegd, dat reeds als gevolg daarvan moet worden getwijfeld aan de door hen afgelegde verklaringen. In het oordeel van het hof ligt besloten dat de enkele omstandigheid dat de verdachten op een moment verklaringen van medeverdachten zijn voorgehouden en dat daardoor druk is gevoeld, nog niet meebrengt dat de nadien afgelegde verklaring niet in vrijheid is afgelegd. Dat oordeel is mijns inziens niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd, gelet op de door het hof vastgestelde volgorde van de verhoren, de verhooromstandigheden zoals die uit het dossier naar voren zijn gekomen en de inhoud die de vrouwelijke verdachten in dat verband tijdens de procedure in herziening aan het begrip ‘druk’ hebben gegeven, immers bestaand uit aspecten van een politieverhoor die objectief bezien toelaatbaar zijn. Voor het overige berust het oordeel van het hof op een waardering van feitelijke aard die in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ead4a6dfee5640790330dcf8b39a755381935090e1e991658784141d31d4f7a4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ead4a6dfee5640790330dcf8b39a755381935090e1e991658784141d31d4f7a4, en de alinea staat in dat document op bytes 136771 tot 138015.