Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2017
Onder 2.10 Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:41.
De maatstaf van de artikelen 1 lid 1 en 6 lid 3 Fw (verkeren in de toestand van hebben opgehouden te betalen) heeft in de rechtspraak van Uw Raad sedert 1898 gaandeweg aldus nader invulling gekregen dat als noodzakelijke – zij het niet voldoende – voorwaarde voor het bestaan van bedoelde ‘toestand’ geldt dat in ieder geval sprake moet zijn van een pluraliteit van schuldeisers, waarbij ten minste één van de vorderingen opeisbaar moet zijn. Dit zogenoemde pluraliteitsvereiste weet zich tot op heden stevig verankerd in de (feiten)rechtspraak. Ik geef een kort overzicht.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/11ca9ded1495815e722faebdd1ab86a08be26b2731a6b73afdfc0615a13f6a02. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 11ca9ded1495815e722faebdd1ab86a08be26b2731a6b73afdfc0615a13f6a02, en de alinea staat in dat document op bytes 23794 tot 24489.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/11ca9ded1495815e722faebdd1ab86a08be26b2731a6b73afdfc0615a13f6a02 | shasum -a 256