Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2017

Onder 4.19 Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:43.

Subonderdeel 1.2 betoogt in de kern dat het hof ten onrechte op grond van de erkenning van Rixtel dat zij niet de rechthebbende is op het ter leen verstrekte bedrag heeft geoordeeld dat het saldo voorwaardelijk tot het vermogen van Hofstad is gaan behoren. Deze klacht berust op een verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft aan die erkenning door Rixtel in rov. 51. de gevolgtrekking verbonden dat hetzij Zürich hetzij Hofstad c.s. rechthebbende is op het geld dat thans nog in depot bij de notaris staat. Uit de erkenning heeft het hof slechts opgemaakt dat Rixtel niet de rechthebbende is. ’s Hofs uiteindelijke oordeel in rov. 52.-54. dat het depotbedrag voorwaardelijk (tot aan het restantbedrag van de nog definitief vast te stellen koopsom) tot het vermogen van Hofstad is gaan behoren, is niet op die erkenning gegrond.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8da86152ce0d88294c379767c7ec7a9c66e7a0a5d8b49f4b16029f6cf050aecd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8da86152ce0d88294c379767c7ec7a9c66e7a0a5d8b49f4b16029f6cf050aecd, en de alinea staat in dat document op bytes 69334 tot 70298.