Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2017

Onder 3.10 Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:43.

Ook het aannemen van een gemeenschap in de zin van art. 3:166 BW tussen de gezamenlijke rechthebbenden bij een bijzondere notariële kwaliteitsrekening is in de literatuur behalve op instemming, ook op kritiek gestuit. De kern van deze kritiek is dat de belanghebbenden geen gelijksoortige aanspraak hebben op het saldo – ieders aanspraak kan, afhankelijk van de inhoud van de onderliggende overeenkomst, afhankelijk zijn van verschillende opschortende of ontbindende voorwaarden – en dat een gemeenschap pas eindigt door een verdeling en levering, terwijl verdeling en levering na faillissement van de solvent (fournerende partij) niet meer kan geschieden (vgl. art. 3:182 BW). Dit lijken mij geen onbelangrijke kanttekeningen. Voor de beoordeling van de onderhavige zaak is echter niet van belang of tussen de gezamenlijke rechthebbenden bij een bijzondere notariële kwaliteitsrekening een gemeenschap in de zin van art. 3:166 BW bestaat. De kanttekeningen in de literatuur over deze gemeenschapsconstructie zijn in deze zaak dus niet relevant. In dat licht neem ik in dit algemeen kader, in het spoor van de bestendige rechtspraak van Uw Raad, tot uitgangspunt dat een gemeenschap tussen de gezamenlijke rechthebbenden bij een bijzondere notariële kwaliteitsrekening bestaat en laat ik de kanttekeningen verder rusten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8da86152ce0d88294c379767c7ec7a9c66e7a0a5d8b49f4b16029f6cf050aecd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8da86152ce0d88294c379767c7ec7a9c66e7a0a5d8b49f4b16029f6cf050aecd, en de alinea staat in dat document op bytes 46514 tot 48017.