Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2017
Onder 5.2 Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:46.
Bij de keuze om de (definitie)bepalingen in de artikelen 1 en 3 van de richtlijn, waarin het woord “arbeidsverhouding” eveneens voorkomt, niet te implementeren, lijkt te hebben meegespeeld – maar duidelijk is dit niet – dat artikel 7:690 BW de uitzendovereenkomst als een arbeidsovereenkomst definieert. In de MvT wordt namelijk gesteld dat als de overeenkomst voldoet aan de definitie van arbeidsovereenkomst in artikel 7:610 BW, dan de regeling van de arbeidsovereenkomst in titel 7:10 BW van toepassing is, behoudens voor zover anders is bepaald. Daarmee is echter over het hoofd gezien dat het in art. 9a Waadi niet gaat over (de kwalificatie van) de overeenkomst tussen uitzendbureau en uitzendkracht, maar over een opvolgende overeenkomst, na afloop van de terbeschikkingstelling, tussen uitzendkracht en inlenende onderneming.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7972340923fb874770a2f578a8f09a1a96d56f79435798ebdbe7c75498636f2a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7972340923fb874770a2f578a8f09a1a96d56f79435798ebdbe7c75498636f2a, en de alinea staat in dat document op bytes 68580 tot 69498.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7972340923fb874770a2f578a8f09a1a96d56f79435798ebdbe7c75498636f2a | shasum -a 256