Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 mei 2017

Onder 3.12 Parket bij de Hoge Raad 19 mei 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 mei 2017, ECLI:NL:PHR:2017:468.

Nu uit het bestreden arrest niet volgt dat het hof zich op een dergelijke rechtsregel heeft gebaseerd – het oordeel van het hof houdt alleen in dat van [verweerster] in dit geval kon worden verwacht dat zij de verjaring zou stuiten tenzij uitdrukkelijk anders overeengekomen, in welk geval dat schriftelijk had moeten worden bevestigd door [verweerster] – faalt het onderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag. Zosta wijst er bij s.t. onder 38 volgens mij terecht op dat dit hier bovendien geen onjuiste toepassing is van het maatman-criterium door het hof (sc. wat een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven situatie zou hebben moeten doen, nl. bij kenbare onzekerheid over de aan te spreken partij cliënt daarop wijzen en de ter zake gemaakte afspraken schriftelijk vastleggen). Dit oordeel is ook bepaald niet onbegrijpelijk, zodat ook de motiveringsklacht hiertegen faalt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8bcb83632a1e3d94efdce75c4258dfee4f2cdb90fd72752089cfb01638fa4c9a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8bcb83632a1e3d94efdce75c4258dfee4f2cdb90fd72752089cfb01638fa4c9a, en de alinea staat in dat document op bytes 64668 tot 65622.