Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 mei 2017
Onder 2.15 Parket bij de Hoge Raad 19 mei 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 mei 2017, ECLI:NL:PHR:2017:468.
Ik laat hierbij even daar, dat het hof het verweer van [verweerster] hier mogelijk ook als een “ja, maar”-verweer had kunnen opvatten en in dat geval de bewijslast van dat bevrijdende verweer bij [verweerster] had moeten leggen. Voorstelbaar zou zijn geweest dat het hof in het tweede tussenarrest niet op zijn aanvankelijke bewijslastverdeling in rov. 3.15 van het eerste tussenarrest was teruggekomen, met als motivering dat het hof het verweer van [verweerster] als een “ja, maar”-verweer had begrepen. Voor de goede orde: dit wordt niet zijdens Zosta aangevoerd in cassatie, in die zin, dat niet mocht worden teruggekomen op die bewijslastverdeling, omdat het hof dit had moeten opvatten als een “ja, maar”-verweer. Omdat dit als uitleg van partijstellingen in cassatie feitelijke materie betreft, was dit naar voorkomt ook niet een bijster kansrijk principaal cassatiepunt geweest. Ik memoreer alvast dat [verweerster] in haar voorwaardelijk incidenteel subonderdeel 3.2 lijkt te betogen dat het hof het verweer van [verweerster] in rov. 3.15 van het eerste tussenarrest als een bevrijdend of “ja, maar”-verweer ziet – volgens mij dus niet terecht. Ik kom daar hierna bij de bespreking van dat subonderdeel op terug.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8bcb83632a1e3d94efdce75c4258dfee4f2cdb90fd72752089cfb01638fa4c9a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8bcb83632a1e3d94efdce75c4258dfee4f2cdb90fd72752089cfb01638fa4c9a, en de alinea staat in dat document op bytes 43881 tot 45133.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8bcb83632a1e3d94efdce75c4258dfee4f2cdb90fd72752089cfb01638fa4c9a | shasum -a 256