Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 mei 2017
Onder 3.28. Parket bij de Hoge Raad 19 mei 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 mei 2017, ECLI:NL:PHR:2017:470.
De eerste aanwijzing ontleen ik aan de memorie van toelichting bij de vaststelling van titel 7.10. Het tot 1996 geldende art. 7A:1638d lid 1 BW (oud) bepaalde: ‘Ook verliest de arbeider zijne aanspraak op het naar tijdruimte vastgestelde loon niet, indien hij bereid was den bedongen arbeid te verrichten, doch de werkgever daarvan geen gebruik heeft gemaakt door eigen schuld of zelfs ten gevolge van, hem persoonlijk betreffende, toevallige verhindering.’ In deze tekst ligt besloten dat (het kenbaar maken van) de bereidheid tot de stelplicht van de werknemer behoorde. Volgens de memorie van toelichting bij de vaststelling van titel 7.10 (de arbeidsovereenkomst) is met de invoering van art. 7:628 BW geen wijziging beoogd. Dit duidt erop dat ook de daarmee samenhangende stelplicht en bewijslast ongewijzigd zijn.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/151c5f8d46d10e8e1d6a24bc0e37a195cce35463358c6f7f9fdecc7b4d706c19. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 151c5f8d46d10e8e1d6a24bc0e37a195cce35463358c6f7f9fdecc7b4d706c19, en de alinea staat in dat document op bytes 79761 tot 80725.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/151c5f8d46d10e8e1d6a24bc0e37a195cce35463358c6f7f9fdecc7b4d706c19 | shasum -a 256