Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 mei 2017
Onder 3.32 Parket bij de Hoge Raad 19 mei 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 mei 2017, ECLI:NL:PHR:2017:470.
Uit het vorenstaande volgt dat in dit geval voor toewijzing van de loonvordering nodig was dat [eiser] zijn bereidheid had kenbaar gemaakt om de bedongen arbeid te verrichten of dat de arbeid niet was verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van Orthocenter komt. De stelplicht en bewijslast rustten op [eiser] . In rechte is echter niet (vast)gesteld dat [eiser] zijn bereidheid had kenbaar gemaakt om de bedongen arbeid te verrichten of dat de arbeid niet is verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van Orthocenter komt. Daarom was het hof mijns inziens niet gehouden om ambtshalve te beoordelen of de vordering tot betaling van een bedrag gelijk aan zeven maandsalarissen als loonvordering toewijsbaar is. De klacht faalt dus voor zover deze betoogt dat het hof op de voet van art. 25 Rv had moeten beoordelen of het gevorderde bedrag als loonvordering toewijsbaar was.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/151c5f8d46d10e8e1d6a24bc0e37a195cce35463358c6f7f9fdecc7b4d706c19. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 151c5f8d46d10e8e1d6a24bc0e37a195cce35463358c6f7f9fdecc7b4d706c19, en de alinea staat in dat document op bytes 85778 tot 86703.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/151c5f8d46d10e8e1d6a24bc0e37a195cce35463358c6f7f9fdecc7b4d706c19 | shasum -a 256