Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 juni 2017
Onder 2.14 Parket bij de Hoge Raad 2 juni 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:478.
De houder (in dit geval: de huurder van de bedrijfsruimte) is niet noodzakelijk dezelfde persoon die verdacht wordt van het strafbare feit in verband waarmee het strafvorderlijk optreden plaatsvond. In een denkbeeldig geval waarin de politie met gepast geweld een verhuurde bedrijfsruimte binnentreedt en daarbij eigendommen van de verhuurder beschadigt kan zich de situatie voordoen dat op grond van de causaliteitsmaatstaf (het eerste beoordelingsmoment) een deel van de schade aan de huurder moet worden toegerekend, ook al werd deze van geen enkel strafbaar feit verdacht. Aangenomen dat art. 6:101 lid 2 BW volgens de Hoge Raad ruimer moet worden begrepen dan enkel betrekking hebbend op gevallen waarin voor een circuit d’actions moet worden gevreesd (zie alinea 2.11 hiervoor), zou de Staat indien deze door de verhuurder tot schadevergoeding wordt aangesproken, zich op het tweede lid kunnen beroepen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cf461a3583be3baee5fd38ce356673f893f38b399a43dff8bfb9432ad31f9554. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cf461a3583be3baee5fd38ce356673f893f38b399a43dff8bfb9432ad31f9554, en de alinea staat in dat document op bytes 39962 tot 40986.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cf461a3583be3baee5fd38ce356673f893f38b399a43dff8bfb9432ad31f9554 | shasum -a 256