Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 juni 2017
Onder 2.2 Parket bij de Hoge Raad 2 juni 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:479.
“Hoewel [verweerder] in punt 1 ID (nog) tot uitgangspunt nam dat de werkzaamheden waarvoor hij betaling verlangde, waren verricht voor de onderneming (dus KDL B.V.), heeft hij daarbij zijn vordering ingesteld tegen de natuurlijke persoon [eiser]. Al in de eerste aanleg - zie blz. 1 van de brief van 27 maart 2012 aan de rechtbank met de producties 5 t/m 25 - heeft [verweerder] zich er op beroepen dat de ‘Maart 2010’-factuur en zijn factuur van 30 juni 2011 voor ‘ werkzaamheden maand juni 201F (hierna: de ‘Juni 2011 ’-factuur), hoewel zij beide waren gericht aan ‘Ketenzorg De Linge ’, door [eiser] van diens privérekening zijn betaald (zie ook de punten 21 en 37 MvA), en niet van de rekening van een van de rechtspersonen. Ter comparitie in de eerste aanleg heeft [verweerder] het volgende opgemerkt (onderstreping hof):
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/075307a3ecd8fd93c29ecc06a59489fdd1af07cc0aed913a56a8adb66be35943. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 075307a3ecd8fd93c29ecc06a59489fdd1af07cc0aed913a56a8adb66be35943, en de alinea staat in dat document op bytes 10746 tot 11670.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/075307a3ecd8fd93c29ecc06a59489fdd1af07cc0aed913a56a8adb66be35943 | shasum -a 256