Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 juni 2017

Onder 3.1.10 Parket bij de Hoge Raad 9 juni 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:511.

Subonderdeel I.2 klaagt dat ’s hofs oordeel in rov. 16 in strijd is met art. 149 Rv, omdat [verweerders] de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden in het kader van haar beroep op verjaring ter gelegenheid van het pleidooi in appel niet heeft betwist. Betoogd wordt dat het hof uit die feiten redelijkerwijs geen andere conclusie kon trekken dan dat daaruit volgt dat [verweerders] in 2002 met zowel de (gestelde) schade (verminderd pensioen als gevolg van tegenvallende beleggingsresultaten) als de benadeelde partij ([eiser]) bekend waren, althans hadden moeten zijn en dat het hof voorts heeft miskend dat voor de aanvang van de verjaring door [eiser] niet méér of anders had behoeven te worden gesteld. Indien het hof dit niet heeft miskend heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, althans een onbegrijpelijk oordeel gegeven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7a3c14325e426d36f9617bcca5c2a1a57df50dc717115650ceb2c1776525f98c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7a3c14325e426d36f9617bcca5c2a1a57df50dc717115650ceb2c1776525f98c, en de alinea staat in dat document op bytes 26445 tot 27360.