Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 juni 2017
Onder 3.4 Parket bij de Hoge Raad 9 juni 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:514.
Bij het gebruik van een vragenlijst door de verzekeraar wordt op een specifieke wijze invulling gegeven aan het kenbaarheidsvereiste. Wanneer een vragenlijst wordt gehanteerd, geldt als uitgangspunt dat de verzekeringnemer ermee bekend is dat de feiten waarnaar wordt gevraagd de verzekeraar interesseren en voor de beslissing over het aangaan van de verzekering van belang kunnen zijn. De keerzijde van de medaille is dat de verzekeraar zich er niet op kan beroepen dat geen mededelingen zijn gedaan over feiten waarnaar niet is gevraagd, tenzij is gehandeld met het opzet om de verzekeraar te misleiden. Laatstgenoemde rechtsregel is thans vastgelegd in art. 7:928 lid 6 BW. Uw Raad ontwikkelde deze regels in de kern reeds onder het oude recht. Uw Raad heeft destijds in dat verband overwogen dat de vragen mede dienen te worden gelezen in onderling verband en samenhang en dat in het geval van een onduidelijke vraagstelling de lezing van de aspirant-verzekeringnemer prevaleert voor zover deze redelijk is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fb33b5fcc8cb6bf9a7b68f3b8133b6cdca9d1bb0872e753e942fe3248aa8a68f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fb33b5fcc8cb6bf9a7b68f3b8133b6cdca9d1bb0872e753e942fe3248aa8a68f, en de alinea staat in dat document op bytes 36331 tot 37483.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fb33b5fcc8cb6bf9a7b68f3b8133b6cdca9d1bb0872e753e942fe3248aa8a68f | shasum -a 256