Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 juni 2017

Onder 3.7 Parket bij de Hoge Raad 9 juni 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:514.

“De literatuur bepleit niet voor niets dat de modale verzekeringnemer er in de regel vanuit zal mogen gaan dat van hem na het inzenden van het aanvraagformulier niets meer wordt verlangd. Aansluiting zou gevonden kunnen worden bij het arrest dat de Hoge Raad heeft gewezen op 15 mei 1998. Hieruit volgt dat het moet gaan om feiten en omstandigheden waarvan aspirant-verzekeringnemer heeft moeten begrijpen dat die voor verzekeraar zo essentieel zijn, dat deze bij kennis daarvan de verzekering niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben afgesloten. In de hierboven besproken gerechtelijke procedures ziet de door de aspirant-verzekeringnemer in te vullen gezondheidsverklaring enkel op weergave van de huidige en vroegere gezondheidstoestand. Strikt genomen vraagt verzekeraar aldus niet om te blijven te worden geïnformeerd [lees: geïnformeerd te blijven worden, A-G] na invullen daarvan. Met andere woorden wordt naar feiten in de nabije toekomst niet, en zeker niet gericht, gevraagd. Dus is een zodanige mededelingsverplichting niet anders te kwalificeren dan als spontaan. En dus op basis van een strikt kenbaarheidsvereiste.”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fb33b5fcc8cb6bf9a7b68f3b8133b6cdca9d1bb0872e753e942fe3248aa8a68f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fb33b5fcc8cb6bf9a7b68f3b8133b6cdca9d1bb0872e753e942fe3248aa8a68f, en de alinea staat in dat document op bytes 40513 tot 41704.