Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 juni 2017
Onder 3.9 Parket bij de Hoge Raad 9 juni 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:514.
“De vraag die rijst, is hoe de ruime invulling van het kenbaarheidsvereiste, die thans ook zijn weerslag heeft gevonden in de wet, zich verhoudt tot de situatie waarin de invulling van een vragenlijst niet of niet meer aan de orde is. Denk aan het aanvragen van de (…) voorlopige dekking of het voorvallen van voor de risicobeoordeling relevante feiten of omstandigheden in de periode tussen het inzenden van het aanvraagformulier en de acceptatie van het risico door de verzekeraar. Om in deze situaties uit te gaan van een spontante mededelingsplicht voor de verzekeringnemer op basis van het ruime kenbaarheidsvereiste gaat onzes inziens te ver. Dit geldt zeker voor de tweede situatie, waarin de ‘modale’ verzekeringnemer er in de regel van uit zal mogen gaan dat van hem na het inzenden van het aanvraagformulier niets meer verlangd wordt.”
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fb33b5fcc8cb6bf9a7b68f3b8133b6cdca9d1bb0872e753e942fe3248aa8a68f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fb33b5fcc8cb6bf9a7b68f3b8133b6cdca9d1bb0872e753e942fe3248aa8a68f, en de alinea staat in dat document op bytes 43758 tot 44627.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fb33b5fcc8cb6bf9a7b68f3b8133b6cdca9d1bb0872e753e942fe3248aa8a68f | shasum -a 256