Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2017
Onder 5.6 Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:52.
“13. De relevantie van de redelijkeheffingnorm is vanaf 2008 fors afgenomen omdat die –terecht – is gedegradeerd van een safe harbour tot een weerlegbaar bewijsvermoeden. In het onderhavige jaar was nog wel sprake van een safe harbour. Maar het is van belang te benadrukken dat de overwegingen van de Hoge Raad niet alleen relevant zijn voor de compenserendeheffingstoets. De Hoge Raad constateert in r.o. 2.7.3 dat “de terminologie ‘rechtens dan wel in feite direct of indirect’ in artikel 10a van de Wet niet alleen is opgenomen in lid 3, letter b, van die bepaling, maar ook in de leden 1 en 2 van die bepaling”, en verbindt vervolgens aan de toelichting in de wetsgeschiedenis op het eerste en tweede lid, conclusies voor de toepassing van zowel het eerste en tweede als het derde lid. De Hoge Raad overweegt dat “[a]ansluiting bij de materiële werkelijkheid […] ertoe [kan] leiden dat een samenstel van rechtshandelingen dat zich bij eerste waarneming binnen het bereik van de onderhavige beperking van renteaftrek bevindt, niettemin daarbuiten valt omdat de litigieuze geldlening materieel is verstrekt door een derde of door een verbonden persoon van wie over de rente per saldo een belasting naar de winst of het inkomen wordt geheven welke naar Nederlandse maatstaven redelijk is in de zin van artikel 10a, lid 3, letter b, van de Wet”. Ik vat deze zin zo op dat het zinsdeel “van wie … de Wet” alleen terugslaat op ‘een verbonden persoon’ en niet op ‘een derde’. Die lezing sluit het beste aan bij de voorgaande overwegingen van de Hoge Raad, waarin hij – aan de hand van een toelichting op art. 10a lid 1 (oud) Wet VPB 1969 – vaststelt dat de wetgever met de terminologie ‘rechtens dan wel in feite direct of indirect’ heeft beoogd aan te sluiten bij de materiële werkelijkheid, en vervolgens verwijst naar voorbeelden uit de wetsgeschiedenis ter illustratie van de reikwijdte van het oude eerste en tweede lid. Kortom, niet alleen moet de compenserende heffing louter bij de ‘feitelijke financier’ worden getoetst, ook voor het antwoord op de vraag of een geldlening binnen de reikwijdte van art. 10a valt is beslissend wie de ‘feitelijke financier’ is, niettegenstaande de termen ‘dan wel’ en ‘of’ in de gebruikte terminologie. Wanneer de ‘feitelijke financier’ een derde is, mist art. 10a lid 1 toepassing, zodat de tegenbewijsregeling niet aan de orde komt en eventuele double dips door hybride mismatches irrelevant zijn. Het in onderdeel 12 besproken beleidsbesluit over art. 10a Wet VPB 1969 is daarmee in zoverre achterhaald.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b13b894fae9244fcf2ed7e4f878b6bc304fe3a74beedd343896930465b562ef4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b13b894fae9244fcf2ed7e4f878b6bc304fe3a74beedd343896930465b562ef4, en de alinea staat in dat document op bytes 115408 tot 118032.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b13b894fae9244fcf2ed7e4f878b6bc304fe3a74beedd343896930465b562ef4 | shasum -a 256