Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2017
Onder 7.2 Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:52.
Ik heb de indruk (maar dit is dus deels speculatie als gevolg van teveel bomen uit een ander bos en weinig zicht op het juiste bos) dat zich in grote lijnen het volgende heeft voorgedaan: de belanghebbende was een vehikel van (cliënten van) [I] voor de realisering van versnelde afschrijving of dergelijke fiscale voordelen in verband met milieu-investeringen, waardoor fiscaalrechtelijk grote stille reserves in haar activa konden ontstaan. Zij is in 2004 door [A] van [I] overgenomen om (uiteindelijk) binnen de [A] groep een vergelijkbare functie te vervullen als de door die groep eveneens aangekochte ‘winstvennootschappen’ in de tien samenhangende zaken waarin ik op 25 augustus 2016 concludeerde (ECLI:NL:PHR:2016:897; uw rolnummers 15/05278 en 15/05349 t/m 15/05357). Die functie is het leveren van tax capacity om die af te zetten tegen aftrek van rente op omgeleide leningen die onbelaste deelnemingsvoordelen financieren (exploitatie van het Bosal gat). Het voornaamste verschil tussen de belanghebbende en de aangekochte winstvennootschappen uit de andere zaken lijkt te zijn dat belanghebbendes (vermogens)winsten (grotendeels) pas gemaakt zijn nádat zij al onderdeel was van de [A] groep. Zij was niet reeds bij aankoop in 2004 slechts een geldzak met een acute vennootschapsbelastingschuld, maar een draaiend houtvergassings(verhuur)bedrijf. Zij realiseerde (naast de tax capacity van de leasetermijnen) kennelijk haar tax capacity vooral in 2007, toen de houtvergassingsinstallatie werd verkocht en een grote stille reserve werd gerealiseerd. Mogelijk heeft de fiscus dit verschil met de andere zaken niet tijdig onderkend en is daardoor belanghebbendes zaak gaan zwalken langs stellingen, argumenten en rechtsgronden die toegesneden waren op die andere zaken maar die niet (goed) pasten op haar geval. Haar zaak is er in elk geval niet overzichtelijker door geworden. De procedure ter zake van de belanghebbende over alle jaren 2005-2008 lijkt aldus voor de fiscus enigszins in het honderd te zijn gelopen. Ter zake van 2005-2007 valt daar voor hem mijns inziens niet veel aan te doen; zie de genoemde conclusie van 25 augustus 2016. Met de middelen 2, 3 en 4, die ook in de samenhangende zaken zijn aangevoerd voor de jaren 2005-2007 van de belanghebbend, gaat hij het volgens mij dus ook voor 2008 niet redden; zie de conclusie van 25 augustus 2016. Dan resteert middel 1 over de (rechtstreekse) toepassing van art. 10a Wet Vpb.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b13b894fae9244fcf2ed7e4f878b6bc304fe3a74beedd343896930465b562ef4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b13b894fae9244fcf2ed7e4f878b6bc304fe3a74beedd343896930465b562ef4, en de alinea staat in dat document op bytes 140650 tot 143255.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b13b894fae9244fcf2ed7e4f878b6bc304fe3a74beedd343896930465b562ef4 | shasum -a 256