Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2017
Onder 7.3 Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:52.
Voor de eerdere jaren 2005-2007 lijkt de fiscus er in te hebben berust dat de belanghebbende op grond van het toen geldende lid 3, letter b (tegenbewijs door compenserende heffing), de dans van rechtstreekse toepassing van art. 10a ontspringt (hij stelt voor die jaren nog wel fraus art. 10a). Vanaf 2008 biedt letter b de belastingplichtige echter geen safe haven meer, maar nog slechts een zakelijkheidsvermoeden dat de Inspecteur kan weerleggen door aannemelijk te maken dat de verbonden schuld of de daarmee verband houdende rechtshandeling niet overwegend zakelijk was. De bewijslast van de on zakelijkheid van ofwel de schuld aan [C] , ofwel de storting in een deelneming (één van beide is genoeg), ligt bij toepassing van letter b dus bij de Inspecteur (nadat de belanghebbende de compenserende heffing aannemelijk heeft gemaakt).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b13b894fae9244fcf2ed7e4f878b6bc304fe3a74beedd343896930465b562ef4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b13b894fae9244fcf2ed7e4f878b6bc304fe3a74beedd343896930465b562ef4, en de alinea staat in dat document op bytes 143334 tot 144430.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b13b894fae9244fcf2ed7e4f878b6bc304fe3a74beedd343896930465b562ef4 | shasum -a 256