Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 april 2017

Onder 3.26 Parket bij de Hoge Raad 21 april 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:522.

Vanwege de in cassatie niet bestreden vaststellingen in rov. 2 sub b, c en d en in rov. 23, kan het volgende als te dezen vaststaand worden aangenomen. Hoewel er een bemiddelingsovereenkomst met Agromak B.V. was gesloten, is [eiser 2] degene geweest die daadwerkelijk voor [verweerders] als bemiddelaar en daarmee als de daadwerkelijke behartiger van hun belangen is opgetreden. Hij heeft [verweerders] als bemiddelaar van hen geadviseerd om het koopaanbod van De Alternatieve te aanvaarden. Toen was hij tevens indirect aandeelhouder van De Alternatieve. Hij is verder degene geweest die feitelijk de koopovereenkomst namens De Alternatieve tot stand heeft gebracht. Deze bemiddelingssituatie, die een belangenverstrengeling aan de kant van [eiser 2] inhield, bracht voor laatstgenoemde de verplichting mee om bij de aanvaarding en uitvoering van de bemiddelingstaak ervoor te zorgen dat [verweerders] van deze situatie op de hoogte werden gesteld. Voor het aannemen van een dergelijke verplichting van [eiser 2] in genoemde situatie valt steun te vinden in de artikelen 7:418 jo. 7:427 BW. Ingevolge deze artikelen dient hij, die als tussenpersoon in de zin van artikel 7:425 BW bij het tot stand brengen van een rechtshandeling optreedt, zijn opdrachtgever ervan in kennis te stellen dat hij direct of indirect belang bij de totstandkoming van de rechtshandeling heeft. In rov. 21 merkt het hof op, in cassatie niet bestreden, dat [eiser 2] niet heeft gesteld dat hij [verweerders] van zijn betrokkenheid bij De Alternatieve op de hoogte heeft gesteld. Een en ander komt hierop neer dat [eiser 2] een jegens [verweerders] na te leven zorgverplichting niet heeft nageleefd. Dat is reeds voldoende om te concluderen dat [eiser 2] jegens [verweerders] onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW heeft gehandeld. De hiertegen aangevoerde klachten in paragraaf 2.5.1 treffen geen doel. Dit geldt ook voor zover die klachten inhouden dat het hof bij de beoordeling of er sprake is geweest van onrechtmatig handelen van [eiser 2] ook had moeten betrekken of [verweerders] als gevolg van het niet-melden van de belangenverstrengeling vermogensschade hebben geleden. De door [eiser 2] jegens [verweerders] in acht te nemen zorgverplichting strekte er niet toe, althans niet in de eerste plaats, om bij hen het ontstaan van vermogensschade te voorkomen. Die verplichting diende reeds nageleefd te worden om degene die de opdracht tot bemiddeling geeft, in staat te stellen om te beoordelen of hij met de bemiddelaar, bij wie een belangenverstrengeling zich voordoet, wel of niet in zee wil gaan. Dat valt af te leiden uit het HR-arrest van 6 april 2007 ( ) , waarin de Hoge Raad in rov. 3.3 omtrent de in artikel 7:418 vervatte mededelingsplicht van een lasthebber in het geval hij belang bij de totstandkoming van de rechtshandeling heeft overweegt: “De in de genoemde bepaling neergelegde mededelingsplicht doet zich – (…) – gelden zodra de lasthebber direct of indirect belang heeft bij de totstandkoming van de rechtshandeling. Het is vervolgens aan de lastgever om te beoordelen of zich een belangenconflict voordoet dat aan een optimale behartiging van zijn belang door de lasthebber zou kunnen afdoen. De mededelingsplicht geldt dus onafhankelijk van het antwoord op de vraag of het eigen belang van de lasthebber daadwerkelijk in strijd is met de belangen van de lastgever.”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a570c477ff66d58330db8ede056b133e4f8a4a21c6dd16d766e135f59eda26f9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a570c477ff66d58330db8ede056b133e4f8a4a21c6dd16d766e135f59eda26f9, en de alinea staat in dat document op bytes 48085 tot 51647.