Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 mei 2017

Onder 3.18. Parket bij de Hoge Raad 12 mei 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 mei 2017, ECLI:NL:PHR:2017:525.

Het ging in deze zaak om een aansprakelijkstelling van een inlener voor loonbelasting (art. 34 Invorderingswet 1990). De belastingplichtige vennootschap had opgehouden te bestaan. De inlener voerde het verweer dat het invorderingsrecht jegens de belastingplichtige was verjaard. Het hof oordeelde echter dat de Ontvanger de verjaring rechtsgeldig had gestuit met toepassing van art. 54 lid 4 Rv (zie rov. 2.7 van het hofarrest, opgenomen in NJ 2014/87). In cassatie betoogde de inlener dat de Ontvanger de weg van art. 2:23c BW had moeten volgen. Dit betoog is door de Hoge Raad verworpen: de Ontvanger kon de weg van art. 54 lid 4 Rv volgen; heropening van de vereffening op grond van art. 2:23c lid 1 BW is in zo’n geval niet nodig.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5d94a8a2911408e9434c70fa846cd7cda2ac7fbc1ce64717234e20c8a175ad78. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5d94a8a2911408e9434c70fa846cd7cda2ac7fbc1ce64717234e20c8a175ad78, en de alinea staat in dat document op bytes 23314 tot 24127.