Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 juni 2017

Onder 4.4. Parket bij de Hoge Raad 21 juni 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:528.

Het hof overweegt als volgt. In artikel 218 lid 4 Fw is bepaald dat surseance nimmer definitief kan worden verleend, indien er gegronde vrees bestaat dat de schuldenaar zal trachten de schuldeisers tijdens de surseance te benadelen. Artikel 242 lid 1 sub 1 Fw bepaalt dat de surseance door de rechtbank kan worden ingetrokken, indien de schuldenaar zich, gedurende de loop der surseance, aan kwade trouw in het beheer van de boedel schuldig maakt. Deze twee bepalingen zien blijkens de daarin verwoorde tijdsbepaling op ontoelaatbaar handelen of nalaten van de schuldenaar tijdens de surseance. Een dergelijke tijdsbepaling is echter niet opgenomen in artikel 242 lid 1 sub 2 Fw: de surseance kan worden ingetrokken, indien de schuldenaar zijn schuldeisers tracht te benadelen. Dit duidt er op dat die tijdsbepaling niet geldt voor deze intrekkingsgrond. Voorts zou een geval waarin een schuldenaar gedurende de surseance zijn schuldeisers zou trachten te benadelen al vallen onder zijn kwade trouw in het beheer van de boedel als bedoeld in artikel 242 lid 1 sub 1 Fw.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/deaf6e2823895d765552eae90b1bf4087267fa4122a724c1ae3f1e2ff9939b5c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt deaf6e2823895d765552eae90b1bf4087267fa4122a724c1ae3f1e2ff9939b5c, en de alinea staat in dat document op bytes 15081 tot 16163.