Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 juni 2017

Onder 4.4. Parket bij de Hoge Raad 21 juni 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:528.

Onderdeel I.b klaagt als volgt. Door te oordelen dat art. 220 Fw naar analogie toegepast dient te worden bij een behandeling van een intrekkingsverzoek in de zin van art. 243 Fw heeft het hof hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij heeft het zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Art. 220 Fw betreft de behandeling van een hoger beroep tegen de beslissing omtrent de definitieve surseanceverlening. Het spreekt voor zich dat schuldeisers een dergelijke zitting mogen bijwonen. Omtrent de definitieve surseanceverlening vindt immers een schuldeisersstemming plaats (vgl. art. 218 lid 2 Fw). Bij de behandeling van een intrekkingsverzoek vindt een dergelijke stemming door schuldeisers niet plaats. De analogische toepassing van art. 220 Fw op de onderhavige situatie valt niet te rijmen met het stelsel van de Faillissementswet. Voor zover analogische toepassing onder omstandigheden wel mogelijk zou zijn, is het oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/deaf6e2823895d765552eae90b1bf4087267fa4122a724c1ae3f1e2ff9939b5c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt deaf6e2823895d765552eae90b1bf4087267fa4122a724c1ae3f1e2ff9939b5c, en de alinea staat in dat document op bytes 38018 tot 39040.