Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 mei 2017

Onder 3.11. Parket bij de Hoge Raad 16 mei 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 mei 2017, ECLI:NL:PHR:2017:540.

Verder wordt in de rechtspraak de eis gesteld dat door de rechter, bij de beoordeling van de vraag of zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat mag worden aangenomen dat de verdachte de dag van de terechtzitting (of de van de einduitspraak ingevolge art. 408 lid 2 Sv) tevoren bekend was, voldoende concreet moet worden vastgesteld van welke gegevens de verdachte op de hoogte is gesteld. Hieruit leid ik af dat voorzichtigheid is geboden om aan algemene mededelingen zoals de onderhavige op de akte van uitreiking, namelijk dat de “tekst” aan de verdachte is medegedeeld conclusies te verbinden wat betreft de bekendheid van de verdachte met de dag van de terechtzitting. Ook in onderhavige zaak staat niet zonder meer vast, dat deze datum en het tijdstip met zoveel woorden aan de verdachte is medegedeeld, terwijl het daarnaast, gelet op de informatiefunctie die de dagvaarding heeft, uiteraard ook nog van belang is dat de verdachte ermee bekend is waar de terechtzitting plaatsvindt, over welk strafbaar feit het dan gaat en dat hij geïnformeerd wordt over het bestaan van een aantal rechten dat hem toekomt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/41ab60eb90138c746bb1a189d6fbf3088d80f2b20ddcaa9ec83bcdb6675d2b65. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 41ab60eb90138c746bb1a189d6fbf3088d80f2b20ddcaa9ec83bcdb6675d2b65, en de alinea staat in dat document op bytes 27290 tot 28571.