Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 juni 2017
Onder 6.21 Parket bij de Hoge Raad 2 juni 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:546.
Gelet op de vaststaande feiten berust het oordeel van het Hof naar mijn mening op een onjuiste rechtsopvatting. Het initiëren en voeren van de juridische acties is in dit geval geen economische activiteit. Dat oordeel impliceert dat de juridische acties onder bezwarende titel worden verricht. Belanghebbende is ter zake van die activiteit echter niet met een derde overeengekomen dat haar een vergoeding wordt betaald. Vaststaat dat zij die activiteit op eigen initiatief verricht. Eerst bij het bereiken van een schikking met het aangesproken bedrijf gaat belanghebbende met dat bedrijf een rechtsbetrekking aan, welke betrekking de grondslag vormt voor de betaling van de schikkingsvergoeding. Uit de door het Hof vastgestelde feiten (punt 2.2 van deze conclusie) volgt dat de vergoeding die belanghebbende ontvangt een als onderdeel van een schikking bedongen, niet aan de omvang van de schade gerelateerd bedrag is. Enkel het aangesproken bedrijf met wie een schikking wordt getroffen, betaalt belanghebbende dus een vergoeding. De vergoeding wordt niet tevoren of in verband met het voeren van de collectieve juridische acties bedongen, maar pas veel later, in het kader van een schikking. Die vergoeding wordt dus niet betaald voor het voeren van de juridische acties. Het vereiste rechtstreekse verband ontbreekt ten enenmale. Een andersluidende conclusie komt naar mijn idee ook vreemd voor. Welk bedrijf betaalt een ander een vergoeding om een juridische procedure tegen hem te starten? Volgens het Hof doet aan zijn oordeel dat belanghebbende met het voeren van de juridische acties economische activiteiten verricht niet af dat “het goedmaken van de kosten pas een concrete en afdwingbare vorm krijgt op het moment dat de door de betrokken partijen beoogde schikking juridisch perfect is, (…) zeker niet nu belanghebbende voor meer dan negentig procent van de gevallen met haar verrichtingen succes heeft.” Ook dat oordeel getuigt in mijn visie van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat het bestaan van een vergoeding onzeker is, leidt juist wel tot de slotsom dat het vereiste rechtstreekse verband tussen de ten behoeve van de ontvanger verrichte dienst en een vergoeding ontbreekt (zie naar analogie Tolsma en Cibo Participations en Pavlína Baštová .
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f2dc8cd6fa3e336ca6a59398b0c7a77b4072f3f5c8f077bbfcc3fcae3b298163. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f2dc8cd6fa3e336ca6a59398b0c7a77b4072f3f5c8f077bbfcc3fcae3b298163, en de alinea staat in dat document op bytes 70533 tot 73003.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f2dc8cd6fa3e336ca6a59398b0c7a77b4072f3f5c8f077bbfcc3fcae3b298163 | shasum -a 256