Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2017
Onder 5.5. Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:564.
Ik zie niet in waarom dit onderscheid, hier in het bijzonder de wijze waarop de geheimhouder de aan hem toevertrouwde wetenschap vervolgens heeft vastgelegd (bijv. op schrift of op een gegevensdrager), niettemin van betekenis moet zijn voor de door hem te maken inschatting of hij zijn geheimhoudingsplicht zal schenden door te voldoen aan de vordering tot verstrekking van de aan hem toevertrouwde en door hem vastgelegde gegevens. Als het enkele feit dat de officier van justitie de vastgelegde geluidsopname van een gesprek tussen de beller en de geheimhouder heeft gevorderd kan meebrengen dat niet langer sprake is van aan die geheimhouder toevertrouwde gegevens waarover hij zich mag verschonen, dan lijkt het mij dat aan de ratio van het verschoningsrecht, te weten het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden, ernstig tekort wordt gedaan. Bovendien bevat de jurisprudentie tal van voorbeelden waaruit kan worden afgeleid dat ook als het gaat om inbeslagneming ex art. 98 Sv (al dan niet na een daartoe strekkend bevel tot uitlevering), de bevoegdheid tot verschoning verder strekt dan enkel tot brieven en geschriften, te weten: ook over de geluidsbanden van de telefoongesprekken die de medewerkers werkzaam op een huisartsenpost hebben gevoerd met de van kindermishandeling verdachte ouders van een overleden kind , over de camerabeelden van een in een ziekenhuis opgenomen patiënt die vermoedelijk door zijn moeder is mishandeld , over de videobanden waarop de speltherapie van een driejarige patiënt is opgenomen , en over de camerabeelden van een in een GGZ-instelling opgenomen patiënt die vermoedelijk is overleden nadat hij door de behandelaars van die instelling in een separeercel is geplaatst en aldaar mishandeld . Tenslotte is het ‘object’ van de bevoegdheid van art. 126nf Sv (alsmede van art. 126nd Sv, waarvan de bevoegdheid een verlengde vormt) bepaald door het begrip ‘gegeven’, dat in principe losstaat van de drager of het ‘medium’ waarop of waarbinnen dat gegeven is vastgelegd. Een hulpmiddel bij deze uitleg vormt de definitiebepaling in art. 80quinqiues Sr, waar als begripsomschrijving van gegevens valt te lezen: “Onder gegevens wordt verstaan iedere weergave van feiten, begrippen of instructies, op een overeengekomen wijze, geschikt voor overdracht, interpretatie of verwerking door personen of geautomatiseerde werken.” Het overnemen van deze definitie uit het Wetboek van Strafrecht naar het Wetboek van Strafvordering lijkt mij in deze context niet onverantwoord en levert net als de hiervoor beschreven exercitie op dat de wijze van vastlegging van de meldkamergesprekken niet bepalend is voor de omvang van het verschoningsrecht, in verbinding met art. 126nf Sv. Klacht (ii) is al met al ongegrond.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b8018efa2f32e624efcdb12ce4ce5448a23cdeba0536c5a81698c7ee6f558c5f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b8018efa2f32e624efcdb12ce4ce5448a23cdeba0536c5a81698c7ee6f558c5f, en de alinea staat in dat document op bytes 78561 tot 81739.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b8018efa2f32e624efcdb12ce4ce5448a23cdeba0536c5a81698c7ee6f558c5f | shasum -a 256