Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 april 2017

Onder 5.2. Parket bij de Hoge Raad 4 april 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:574.

Zoals bekend heeft de Grote Kamer van het EHRM in de zaken Al-Khawaja en Tahery tegen het Verenigd Koninkrijk (EHRM 15 december 2011, nrs. 26766/05 en 22228/06) de regel gerelativeerd dat het gebruik van een verklaring van een getuige die de verdediging niet heeft kunnen ondervragen, in strijd is met art. 6 EVRM als die verklaring als ‘sole or decisive evidence’ moet worden aangemerkt. Van een schending van het ondervragingsrecht hoeft geen sprake te zijn als er voldoende ‘counterbalancing factors’ zijn die maken dat het proces in zijn geheel ondanks het gebruik van ‘untested evidence’ toch niet unfair is. Naast de vraag of de desbetreffende getuigenverklaring van beslissende betekenis is geweest (de tweede vraag uit het drieledige beslisschema dat het EHRM hanteert), staat dus als eventuele vervolgvraag (de derde vraag uit het beslisschema), of het gebruik van bewijs dat als ‘sole or decisive’ moet worden aangemerkt, het proces in zijn geheel oneerlijk doet zijn. Bij beide vragen speelt steunbewijs een rol. Dat steunbewijs is daarbij dan wel van verschillende orde. Ter verduidelijking het volgende.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3dd8fbcd6bd5d880032cb7c5a431d1cfec8f9195227cfa0ef705a1edec2be048. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3dd8fbcd6bd5d880032cb7c5a431d1cfec8f9195227cfa0ef705a1edec2be048, en de alinea staat in dat document op bytes 69791 tot 71001.