Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2017

Alinea 151 Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:594.

63. De klachten in de onderhavige zaak hebben betrekking op de gang van zaken bij politieverhoren van de verdachte in januari 2014 inzake de verdenking van doodslag (of moord) in een uitsluitend Nederlandse context. In het licht van de hiervoor gegeven overwegingen kom ik tot de slotsom dat in deze zaak niet is gehandeld binnen de werkingssfeer van Unierecht, tenzij er sprake zou zijn van een uitlegging van het nationale recht die, na het verstrijken van de termijn voor de omzetting van die richtlijn(en), de verwezenlijking van de met die richtlijn(en) nagestreefde doelstelling ernstig in gevaar zou kunnen brengen. Daarvan is mijns inziens redelijkerwijs geen sprake. Voor zover de klachten berusten op een andere rechtsopvatting dienen zij te worden verworpen. De procedure die is voorzien in art. 267 VWEU ziet op een samenwerking van gerechtelijke instanties met het oog op een concreet te nemen beslissing waarin de uitleg van unierecht van belang is. Dat is hier niet aan de orde. Er is derhalve geen reden in de onderhavige zaak prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d50204cdd2ac4f340ad078646827bc5aa240a11d230a7a1ca05a348b344952a8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d50204cdd2ac4f340ad078646827bc5aa240a11d230a7a1ca05a348b344952a8, en de alinea staat in dat document op bytes 83819 tot 84954.