Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2017
Alinea 96 Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:594.
Het beroep op schending van de artikelen 5 en 6 EVRM dient te worden beoordeeld aan de hand van de criteria zoals gesteld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Op grond van dit artikel kan de rechter, ingeval sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken, overgaan tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie, tot bewijsuitsluiting of tot strafvermindering. Bij de beoordeling van de vraag of een dergelijke situatie zich voordoet dient de rechter rekening te houden met de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde factoren, te weten: het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat door het vormverzuim wordt veroorzaakt. Uit de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat, in geval de verdediging een beroep doet op artikel 359a Sv, van haar wordt verlangd dat zij aan de hand van de in lid 2 van dat artikel genoemde factoren uiteenzet waarom schending van een bepaald vormverzuim dient te leiden tot het/de door haar bepleite gevolg(en).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d50204cdd2ac4f340ad078646827bc5aa240a11d230a7a1ca05a348b344952a8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d50204cdd2ac4f340ad078646827bc5aa240a11d230a7a1ca05a348b344952a8, en de alinea staat in dat document op bytes 54561 tot 55674.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d50204cdd2ac4f340ad078646827bc5aa240a11d230a7a1ca05a348b344952a8 | shasum -a 256