Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 mei 2017

Onder 2.19 Parket bij de Hoge Raad 19 mei 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 mei 2017, ECLI:NL:PHR:2017:599.

Subonderdeel 1.b betoogt dat alle aanvullende getuigenverklaringen berusten op van horen zeggen van de val van [verweerster] zelf. Dat is strikt genomen juist, maar voor althans de verklaring van de moeder van [verweerster] niet het hele verhaal. Zij heeft immers verklaard dat zij zelf niet had gemerkt dat het glad was of vroor en voorop liep toen haar dochter viel (en moeder heeft zodoende de val zelf van dochter inderdaad niet gezien). Zij verklaart evenwel daarop aansluitend dat toen zij zich omdraaide haar dochter op de grond lag en dat toen zij, moeder, naar haar toeliep zelf zag (“zag ik”) dat haar dochter “op een stuk ijs was uitgegleden”. Dat is alvast een belangrijke nuancering dat het hier wat het aanvullende bewijs over de val door gladheid betreft louter om van horen zeggen van [verweerster] zelf zou gaan. Dat klopt niet voor de verklaring van [verweersters] moeder over het zijn uitgegleden over een stuk ijs.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/83afa6d8e27b3812f6a9d5a623f448fa15e21e065bcdd270f75a6c8de92d5c67. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 83afa6d8e27b3812f6a9d5a623f448fa15e21e065bcdd270f75a6c8de92d5c67, en de alinea staat in dat document op bytes 52199 tot 53272.