Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 januari 2017
Onder 3.7 Parket bij de Hoge Raad 6 januari 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:6.
Op eenzijdige gerichte rechtshandelingen is (via art. 3:59 BW) is de wils-vertrouwensleer van art. 3:33 en 3:35 BW van toepassing : er moet sprake zijn van een op rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard (art. 3:33 BW) waarbij de wederpartij die de verklaring of gedraging heeft opgevat overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht toekennen wordt beschermd (art. 3:35 BW). Laatstgenoemde bepaling wordt ingevuld aan de hand van de algemene regel van de goede trouw van art. 3:11 BW. Voor eenzijdig ongerichte rechtshandelingen geldt art. 3:35 BW niet en is de derdenbescherming van art. 3:36 BW van toepassing. De toepassing van art. 3:35 BW brengt met zich dat van de wederpartij mag worden verwacht dat zij onderzoek doet naar de ware bedoelingen van de ander indien daarvoor in de gegeven omstandigheden aanleiding bestaat. Voor onderzoek zal aanleiding bestaan indien sprake is van omstandigheden die het minder waarschijnlijk maken dat de afgelegde verklaring in de door de wederpartij begrepen zin bedoeld is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/21f15ae54a0dc5cee877f17d9b20a67c4785b15514e9ba91964f5833376129e6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 21f15ae54a0dc5cee877f17d9b20a67c4785b15514e9ba91964f5833376129e6, en de alinea staat in dat document op bytes 18370 tot 19732.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/21f15ae54a0dc5cee877f17d9b20a67c4785b15514e9ba91964f5833376129e6 | shasum -a 256