Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2017
Onder 2.5 Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:644.
Het bestanddeel is dus niet opgekomen in het buitenland. Dat is dus geen reden om de navorderingstermijn te verlengen. Kan de inspecteur in dit geval dan nog iets met het ‘houden’-criterium uit art. 16, lid 4, AWR? Is er sprake van een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden? Wanneer men kan stellen dat het geld meteen onttrokken is aan de onderneming, is immers geen sprake meer van box 1-inkomen, maar van box 3-inkomen. Of maakt het nog uit of de bankrekening onderdeel is van het ondernemingsvermogen? Naar mijn mening zou het niet moeten uitmaken, omdat in de systematiek van de winstbepaling zowel ondernemingsvermogen (via de vermogensvergelijking) als onttrekkingen tot uitdrukking komen (art. 3.8 Wet IB 2001).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9612b3ffc50031e126540358208f8a4ea78950d8cebc2e7ac066020231da5216. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9612b3ffc50031e126540358208f8a4ea78950d8cebc2e7ac066020231da5216, en de alinea staat in dat document op bytes 35381 tot 36165.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9612b3ffc50031e126540358208f8a4ea78950d8cebc2e7ac066020231da5216 | shasum -a 256