Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2017
Onder 2.8 Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:644.
Zowel voor de rechtbank als Hof Den Haag is de hamvraag hoe art.16, lid 4, AWR moet worden begrepen. Wat heeft de wetgever bedoeld met de zinsnede ‘(...) een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen (...)’? Dit criterium met feitelijk twee subcriteria, geeft regelmatig aanleiding tot discussie, zoals ook in onderhavige procedure. In casu staat (in de bezwaarfase) vast dat de verzwegen kasstorting (gedaan in 2005) afkomstig is uit in eerdere jaren behaalde omzet van de vof en nadien is gestort op een Luxemburgse bankrekening. Ter zitting neemt de inspecteur het standpunt in dat deze omzet in het buitenland (België) is behaald, maar nadere onderbouwing hiervan blijft uit. Zowel de rechtbank als het hof gaat dan ook ervan uit dat de betreffende kasstorting ziet op Nederlandse omzet. Aldus kan niet worden gezegd dat deze omzet in het buitenland zou zijn opgekomen en derhalve dat op dit punt de verlengde navorderingstermijn van toepassing zou zijn (vgl. HR 13 augustus 2004, nr. 39/287, NTFR 2004/1235).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9612b3ffc50031e126540358208f8a4ea78950d8cebc2e7ac066020231da5216. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9612b3ffc50031e126540358208f8a4ea78950d8cebc2e7ac066020231da5216, en de alinea staat in dat document op bytes 41475 tot 42567.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9612b3ffc50031e126540358208f8a4ea78950d8cebc2e7ac066020231da5216 | shasum -a 256