Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2017
Onder 2.4 Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:645.
De rechtbank oordeelt in r.o. 3.8 dat X voor elk van de jaren de vereiste aangifte niet heeft gedaan en baseert dit op de omvang van de verzwegen inkomsten uit de buitenlandse bankrekeningen. Dit oordeel lijkt ons juist. Vervolgens wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Hieruit trekt de rechtbank de conclusie dat X ook overtuigend moet aantonen dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van art. 16 lid 4 AWR ten aanzien van de verzwegen winsten uit onderneming (zie r.o. 3.9). De vraag rijst of dit oordeel juist is. Geldt de omkering van de bewijslast enkel voor wat betreft de hoogte van de navorderingsaanslag of geldt zij ook voor de bevoegdheid om een navorderingsaanslag op te leggen (zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van een nieuw feit), dan wel met betrekking tot de vraag of ter zake van een bepaald inkomensbestanddeel, gelet op de geldende navorderingstermijn, nog wel kan worden nagevorderd. Deze laatste vraag is hier aan de orde. Naar onze mening zou de omkering en verzwaring van de bewijslast zich niet tot deze vragen moeten uitstrekken, maar zich moeten beperken tot de omvang van het inkomen en dus de aanslag.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/30f185015e280f830c5d38468b660af38d2a4026e6d0cbd45f03fc4b6e4c0fe3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 30f185015e280f830c5d38468b660af38d2a4026e6d0cbd45f03fc4b6e4c0fe3, en de alinea staat in dat document op bytes 47655 tot 48808.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/30f185015e280f830c5d38468b660af38d2a4026e6d0cbd45f03fc4b6e4c0fe3 | shasum -a 256