Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2017

Onder 3.5 Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:650.

Bij de beoordeling van beide subonderdelen stel ik voorop dat het hof kennelijk ervan is uitgegaan dat [verweerster 1] (en haar advocaat), die zich op de correspondentie tussen mr. W.E. van Bentem (gemachtigde van [verweerster 1]) en de rechtbank Amsterdam had(den) beroepen, mede op de hoogte was (waren) gesteld van de e-mail van de rechtbank aan mr. Van Bentem van 14 juni 2016. Geheel onbegrijpelijk is dat niet. Blijkens het namens betrokkene op 13 april 2016 bij het hof ingediende verzoek (zie hiervóór onder 1.9), beschikte de advocaat van betrokkene (die tevens als advocaat van [verweerster 1] optrad) reeds op dat moment over de brief van de rechtbank aan mr. Van Bentem van 12 april 2016. Het ligt voor de hand dat mr. Van Bentem [verweerster 1] (en haar advocaat) ook van het verdere verloop van de met de rechtbank gevoerde correspondentie op de hoogte heeft gehouden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f11cfd3d62a0c10d67cb445122e78476e78069dfeece1da9092f2de8cd4ee415. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f11cfd3d62a0c10d67cb445122e78476e78069dfeece1da9092f2de8cd4ee415, en de alinea staat in dat document op bytes 63546 tot 64443.