Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2017
Onder 3.28 Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:657.
Ook deze klacht is naar mijn mening vergeefs voorgesteld. Uw Raad heeft in het kader van de vraag op welke partij ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv de bewijslast rust met betrekking tot een (pseudo-)volmacht mede van belang geacht dat een andere bewijslastverdeling zou betekenen dat een partij wordt belast met het bewijs van een negatief feit. Dat brengt echter niet mee dat bewijs van een negatief feit in het algemeen niet zou kunnen worden gevergd. In veel gevallen kan het bewijs van een negatief feit worden geleverd door bepaalde andere positieve omstandigheden aannemelijk te maken. Een zodanig geval doet zich hier voor. In deze zaak zou aan de hand van de jaarstukken kunnen worden nagegaan of de schade (bestaande uit gederfde winsten) is veroorzaakt of beïnvloed door omstandigheden die voor rekening en risico van de werkmaatschappijen komen. Cross Options heeft echter nagelaten de (goedgekeurde) jaarstukken in het geding te brengen. Naar mijn mening had dit wel op de weg van Cross Options gelegen. Zij vordert namelijk vergoeding van geleden schade bestaande uit gemiste winstuitkeringen en waardestijgingen van haar dochterbedrijven. Dit betekent dat het op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv aan Cross Options is om aannemelijk te maken dat zij in de (hypothetische) situatie zonder de tekortkoming zodanige winstuitkeringen en waardestijgingen wel zou hebben genoten. Deze gestelde schade van Cross Options als moeder is te onderscheiden van de schade die de dochters hebben geleden en waarvoor zij eventueel op grond van onrechtmatige daad tegen ING zouden kunnen ageren. Er zijn twee (samenhangende) vorderingen te onderscheiden: (1) enerzijds een vordering uit onrechtmatige daad van de dochters waarbij de schade bestaat uit de winst die zij hadden kunnen behalen als ING zich hun belang voldoende zou hebben aangetrokken door de raamovereenkomst correct na te komen en (2) anderzijds een vordering uit wanprestatie van de moeder waarbij de schade bestaat uit winstuitkeringen en waardestijgingen van de dochters die zij zonder de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst zou hebben genoten. Aldus bezien is dus ook onjuist dat de wanprestatie in de eerste plaats zou aangrijpen bij de dochtervennootschappen en dat die dochtervennootschappen geen schadevergoeding zouden kunnen vorderen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/208b271df28d0dc0589fd2d1ead700c537a293dd1f9d4201f2a6e949a50ac778. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 208b271df28d0dc0589fd2d1ead700c537a293dd1f9d4201f2a6e949a50ac778, en de alinea staat in dat document op bytes 81497 tot 83971.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/208b271df28d0dc0589fd2d1ead700c537a293dd1f9d4201f2a6e949a50ac778 | shasum -a 256