Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2017

Onder 3.43 Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:657.

Gezien het vorenstaande wordt vergeefs betoogd dat het hof de rechtsregel van Uw Raad zou hebben miskend dat de partij die een aanbod doet tot het leveren van getuigenbewijs haar stellingen niet op voorhand aannemelijk behoeft te maken. Het hof heeft immers een voldoende concreet onderbouwde stelling, en geen begin van bewijs, verlangd. Het hof behoefde Cross Options evenmin in de gelegenheid te stellen om de (goedgekeurde) jaarrekeningen alsnog in het geding te brengen. Volgens rechtspraak van Uw Raad mag namelijk van de betrokken procespartij verlangd worden dat zij de schriftelijke stukken in het geding brengt (hiervoor randnummer 3.30 en de verwijzingen in voetnoot 54). Het bewijsaanbod is door het hof niet gepasseerd op de grond dat [betrokkene 6 en 7] en accountant [betrokkene 8] niet uit eigen wetenschap zouden kunnen verklaren. In zoverre mist de klacht dus feitelijke grondslag.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/208b271df28d0dc0589fd2d1ead700c537a293dd1f9d4201f2a6e949a50ac778. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 208b271df28d0dc0589fd2d1ead700c537a293dd1f9d4201f2a6e949a50ac778, en de alinea staat in dat document op bytes 101677 tot 102654.