Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2017

Onder 2.10. Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:659.

Ik ben hiervoor ervan uitgegaan dat het onderdeel zich enkel op art. 348 Rv beroept. Zou uit het herhaalde gebruik van het woordje ‘erkenning’ moeten worden afgeleid dat bedoeld is dat (tevens) sprake is van een gerechtelijke erkentenis, dan geldt daarvoor dat [eisers] voor een zodanige erkentenis slechts verwijzen naar stellingen van de Bank ingenomen in de context van het beroep op eigen schuld, terwijl bovendien van een uitdrukkelijke erkenning die ondubbelzinnig betrekking heeft op de waarheid van de stelling dat de opdracht tot sluiting van een positie van USD/CAD is gegeven, respectievelijk dat [eisers] die positie in portefeuille hadden, geen sprake is. Ik verwijs naar wat ik hiervoor in overeenkomstige zin heb gezegd over de stelling dat sprake is van een gedekt verweer.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/79dc5cc1e54c91983399664facd38fdbb3e19fcd12691058899a0a5e9d8a0308. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 79dc5cc1e54c91983399664facd38fdbb3e19fcd12691058899a0a5e9d8a0308, en de alinea staat in dat document op bytes 22559 tot 23365.