Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2017
Onder 6.10 Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 februari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:73.
Het gegeven dat art. 6 Bijzondere Voorwaarden geen rekening houdt met de drempel van art. 7A:1576c BW en daarmee de mogelijkheid openlaat dat de overeenkomst op de voet van dit beding wordt beëindigd en de resterende leasesom vervroegd opeisbaar wordt, ook wanneer de betalingsachterstand nog niet groot genoeg is, wijst als zodanig in de richting van oneerlijkheid (zie het arrest Aziz). Naar mijn mening kan niet reeds om die reden worden geconcludeerd dat art. 6 Bijzondere Voorwaarden een oneerlijk beding is, omdat niet alleen het moment van vervroegde opeisbaarheid van de toekomstige termijnen moet worden beoordeeld, maar ook de gevolgen daarvan. Dat laatste punt wordt met name aan de orde gesteld met de vraag of de vervroegde opeisbaarheid tot een ‘onevenredige’ schadevergoeding leidt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ab5a0595418a4eced83d40d6b8baec9cc0c3bf1b42c4fc4543da4cbac94a7895. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ab5a0595418a4eced83d40d6b8baec9cc0c3bf1b42c4fc4543da4cbac94a7895, en de alinea staat in dat document op bytes 68707 tot 69522.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ab5a0595418a4eced83d40d6b8baec9cc0c3bf1b42c4fc4543da4cbac94a7895 | shasum -a 256