Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017

Onder 2.2 Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:8.

De eerste klacht voert aan dat uit de uitspraak van het EHRM in de zaak Genovese/Malta volgt dat het al dan niet bestaan van een huwelijk als voorwaarde voor het doorgeven van de nationaliteit aan een kind via de vaderlijke lijn in het licht van art. 8 jo. art. 14 EVRM als een arbitrair en discriminatoir onderscheid wordt gezien. Een dergelijk onderscheid wordt in Nederland gemaakt door het stellen van de eis in art. 4 lid 4 RWN dat bij erkenning van een buitenechtelijk minderjarig kind dat zeven jaar of ouder is, het bewijs van biologische afstamming binnen een jaar na de erkenning moet worden geleverd. De enkele omstandigheid dat schijnerkenningen zoveel mogelijk moeten worden voorkomen, vormt geen voldoende objectieve rechtvaardiging voor die regeling in art. 4 lid 4 RWN. Daarnaast geldt dat het in deze bepaling genoemde bewijs niet wordt verlangd bij erkenningen van kinderen jonger dan zeven jaren, welk onderscheid volstrekt willekeurig is en waarvoor ook geen objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat. Bovendien is in het onderhavige geval geen sprake van een schijnerkenning zodat ten aanzien van deze zaak ook geen objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat, aldus de eerste klacht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f14ea61d7cb7c16d3eb37512073c919b6df8c3cf436ce4b1dd95b5f81430b507. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f14ea61d7cb7c16d3eb37512073c919b6df8c3cf436ce4b1dd95b5f81430b507, en de alinea staat in dat document op bytes 8952 tot 10215.