Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017

Onder 2.4 Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:8.

Art. 4 RWN dat betrekking heeft op de nationaliteitsrechtelijke gevolgen van de erkenning van een kind door een Nederlander, is meermalen gewijzigd. Tot 1 april 2003 verkreeg de minderjarige niet-Nederlander die na zijn geboorte door een Nederlander werd erkend van rechtswege het Nederlanderschap. Op 1 april 2003 is de Rijkswet op het Nederlanderschap gewijzigd (Stb. 2001, 618 en Stb. 2002, 222) waardoor het automatische nationaliteitsrechtelijke gevolg van erkenning en wettiging werd geschrapt. Het Nederlanderschap kon op de voet van art. 6 lid 1, aanhef en onder c, RWN door optie worden verkregen door een niet-Nederlander die tijdens zijn minderjarigheid door een Nederlander was erkend of zonder erkenning door wettiging het kind van een Nederlander was geworden. Naast erkenning of wettiging werd als aanvullende eis gesteld dat de minderjarige niet-Nederlander na de erkenning of wettiging vóór zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van ten minste drie jaren verzorging en opvoeding heeft genoten van de Nederlander door wie hij is erkend dan wel zonder voorafgaande erkenning is gewettigd. Met het stellen van deze aanvullende eis werd beoogd te voorkomen dat erkenningen van minderjarigen door een Nederlander, die noch biologisch noch sociaal de ouder van het kind was, zouden leiden tot het van rechtswege verkrijgen van het Nederlanderschap. Misbruik kon eenvoudig worden gemaakt, omdat het Nederlandse afstammingsrecht ervan uitgaat dat erkenning een rechtshandeling en geen waarheidshandeling is waardoor naar Nederlands recht een erkenning eveneens rechtsgeldig is in het geval dat de erkenner niet de verwekker van het kind is. De wetgever heeft erop gewezen dat schijnerkenningen doorgaans slechts tot doel hadden een onbeperkt verblijfsrecht te verschaffen aan veelal reeds oudere vrouwelijke minderjarigen en dat deze schijnerkenningen dienen te worden bestreden. Vervolgens heeft de wetgever gemeend dat de regeling van art. 6 lid 1, onder c, RWN nuancering behoefde, omdat betrokkenen in bepaalde situaties waarin duidelijk geen sprake was van schijnhandelingen geconfronteerd werden met gecompliceerde vreemdelingenrechtelijke problematiek, bijv. praktische problemen met betrekking tot het leveren van het bewijs van de vereiste verzorging en opvoeding gedurende drie jaren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f14ea61d7cb7c16d3eb37512073c919b6df8c3cf436ce4b1dd95b5f81430b507. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f14ea61d7cb7c16d3eb37512073c919b6df8c3cf436ce4b1dd95b5f81430b507, en de alinea staat in dat document op bytes 11555 tot 14150.