Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017
Onder 2.7 Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:8.
In arrest Genovese/Malta heeft het EHRM geoordeeld dat de Maltese nationaliteitswet (zoals die luidde vóór de wijziging van die wet in 2007) een schending oplevert van art. 14 jo. art. 8 EVRM. De zaak betreft de verkrijging van de Maltese nationaliteit door een zoon van een Maltese vader en een Schotse moeder. Het verzoek tot verkrijging van de Maltese nationaliteit door het kind werd afgewezen omdat het kind een buiten huwelijk geboren zoon van de Maltese vader is. Het EHRM heeft geoordeeld dat in dit geval geen sprake is van schending van ‘family life’, maar dat discriminatie ten aanzien van de verkrijging van de nationaliteit wel het ‘private life’ van de verzoeker raakt. Het niet verwerven van de nationaliteit van een ouder kan van invloed zijn op de sociale identiteit van het kind en derhalve op het privéleven (‘private life’) van het kind waardoor art. 8 EVRM in het geding kan komen. Een nationale regeling omtrent de verwerving van staatsburgerschap dient derhalve het non-discriminatiebeginsel van art. 14 EVRM in acht te nemen. Een onderscheid is discriminatoir, indien geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat, te weten geen legitiem doel nastreeft of wanneer geen proportioneel verband bestaat tussen het middel en het doel. In het Maltese nationaliteitsrecht werd onderscheid gemaakt tussen een buiten huwelijk geboren kind van een Maltese vader en een buitenlandse moeder en een binnen huwelijk geboren kind van een Maltese vader en een buitenlandse moeder. Door de Maltese staat is gesteld dat de rechtvaardiging voor dit onderscheid is gelegen in het feit dat kinderen die binnen een huwelijk worden geboren een band hebben met hun ouders als gevolg van het huwelijk, welke band ontbreekt bij kinderen die buiten een huwelijk worden geboren. Bovendien, zo betoogde de Maltese staat, is de rechtvaardiging van het onderscheid gelegen in de maatschappelijke werkelijkheid van zulke gevallen en het feit dat in tegenstelling tot de moeder, de vader niet altijd zeker is. Het EHRM heeft geoordeeld dat dit onderscheid discriminatoir is en dat daarvoor geen objectieve rechtvaardiging bestaat, zodat sprake is van schending van art. 14 jo. art. 8 EVRM.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f14ea61d7cb7c16d3eb37512073c919b6df8c3cf436ce4b1dd95b5f81430b507. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f14ea61d7cb7c16d3eb37512073c919b6df8c3cf436ce4b1dd95b5f81430b507, en de alinea staat in dat document op bytes 16774 tot 18990.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f14ea61d7cb7c16d3eb37512073c919b6df8c3cf436ce4b1dd95b5f81430b507 | shasum -a 256