Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017
Onder 2.27 Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:8.
De tekst van art. 6 lid 1, aanhef en onder a, EVN is op zich zelf genomen duidelijk. Het verdrag schrijft immers slechts voor dat (onder meer) alle kinderen die erkend zijn (eventueel na het volgen van een bepaalde procedure) van rechtswege de nationaliteit van de ouder verkrijgen. Dat de Nederlandse wet in art. 4 lid 4 RWN in bepaalde gevallen DNA-bewijs van het vaderschap verlangt, wordt niet door art. 6 EVN verboden. De familierechtelijke erkenning van het kind geldt los van het nationaliteitsrechtelijke gevolg; slechts voor de verkrijging van de nationaliteit door het erkende kind is in bepaalde gevallen DNA-bewijs noodzakelijk. De achtergrond hiervan is het tegengaan van de nationaliteitsrechtelijke gevolgen van een eventuele schijnerkenning (zie ook onder 2.5 van deze conclusie). Dit is voldoende rechtvaardiging voor het stellen van het vereiste van DNA-bewijs.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f14ea61d7cb7c16d3eb37512073c919b6df8c3cf436ce4b1dd95b5f81430b507. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f14ea61d7cb7c16d3eb37512073c919b6df8c3cf436ce4b1dd95b5f81430b507, en de alinea staat in dat document op bytes 39956 tot 40848.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f14ea61d7cb7c16d3eb37512073c919b6df8c3cf436ce4b1dd95b5f81430b507 | shasum -a 256