Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 februari 2017

Onder 3.16. Parket bij de Hoge Raad 9 februari 2017

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 februari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:81.

Indien de belanghebbende tijdens de procedure overlijdt en de procedure ten name van diens erfgenamen wordt voortgezet, belet artikel 6:106, lid 2, BW niet dat aan die erfgenamen in verband met de lange duur van de procedure een schadevergoeding wordt toegekend. Indien de erflater geen verzoek daartoe heeft gedaan, kan dat verzoek alsnog worden gedaan door de erfgenamen. De aan de erfgenamen toe te kennen vergoeding van immateriële schade kan mede betrekking hebben op het tijdsverloop van de procedure toen de erflater nog partij was. De in aanmerking te nemen termijn met betrekking tot de desbetreffende fase van de procedure wordt in deze gevallen ook ten aanzien van de erfgenamen geacht te zijn aangevangen op het moment waarop door de erflater tegen het besluit van de inspecteur bezwaar is gemaakt, onderscheidenlijk (hoger) beroep dan wel beroep in cassatie is ingesteld (vgl. HR 17 oktober 2014, nr. 13/06130, ECLI:NL:HR:2014:2981, BNB 2015/39).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f65d48b8dac1ae47f4d88e9be42896cbe60191edfbb1b96287979c74e75632df. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f65d48b8dac1ae47f4d88e9be42896cbe60191edfbb1b96287979c74e75632df, en de alinea staat in dat document op bytes 82325 tot 83298.